loderwijkgerhartsAloë
,,De Latijnse naam is Aloë vera L.”, zegt frater Arnoldo in zijn boek 'Gekweekte en nuttige planten van de Nederlandse Antillen'. ,,Een tamelijk sterk uitstoelende plant, waarvan de grijsgroene, dikvlezige en saprijke bladeren tot 50 centimeter lang zijn. Van 3 tot 15 jaar oude planten worden na de regentijd de bladeren, wanneer zij roodachtig verkleuren, gesneden in schuin aflopende troggen (lekbakken) gelegd, zodat het sap er uit kan lopen.”
Volgen het boek over Bonaire van Dr. Hartog zou gouverneur Raders de aloë naar deze eilanden hebben gebracht. Overlevering wil dat de kapucijner monnik pater Basilius in de 40’er jaren van de 19e eeuw de eerste aanplant te Bonaire heeft verricht.
Hij had een stuk grond ten noorden van ‘Guatemala’, waar nog de fundatie van zijn huis te vinden is, alsmede stukken Nederlandse aardewerk (keukengerei). Om 1 hectare te beplanten heeft men 10.000 planten nodig. Deze worden verkregen van oude planten, die met hun uitlopers uit de grond worden gehaald. De oorspronkelijke plant, die dan circa 15 jaar oud is, vormt met de uit de wortels voortgekomen nieuwe scheuten, een samenklittend geheel, met een doorsnede van 80 à 100 centimeter. Zo’n samenklittende massa wordt losgemaakt en de planten worden stuk voor stuk gereinigd. Dit schoonmaken bestaat uit het verwijderen van restanten van afgesneden bladeren en van dode wortels en vuil. De aldus schoongemaakte planten worden in de grond gestopt, waarin een kuiltje is gemaakt, waarna de grond rond de wortels stevig wordt aangedrukt.
De planten worden ongeveer 1 meter van elkaar verwijderd in de grond gezet, het betekent dat in beide richtingen 100 plantjes in de grond staan, dus 10.000 per hectare.
Hierbij moet nog worden vermeld, dat de oorspronkelijke plant en de planten ontstaan uit de wortelscheuten, na 15 jaar niet meer in de grond staan, maar naar boven zijn gekomen, zodat het geheel als het ware op een heuveltje staat. Hierdoor verdrogen de wortels gedeeltelijk, de plant krijgt onvoldoende voedsel en langzamerhand neemt de groeikracht af, de bladeren worden kleiner en geven steeds minder sap.
Dan is het ogenblik aangekomen de gehele aanplant uit de grond te halen. In het derde jaar, na het planten, kan reeds de eerste oogst plaatsvinden, die dan natuurlijk nog niet veel oplevert. In de daarop volgende jaren ziet men, dat de aloë een sterk uitstoelend gewas is en dat reeds spoedig aan de wortels uitlopers ontstaan, een proces dat zich elk jaar herhaalt, totdat men na 15 jaar ziet dat het oorspronkelijke plantje tot een bos van enige tientallen planten is uitgegroeid. Bij goed beheer dienen de planten dan wederom uit de grond gehaald te worden en schoongemaakt, waarna de nieuwe aanplant kan worden uitgezet. In de dertiger jaren heb ik allerlei proeven genomen met het doel tot een grotere productie te komen. Hiervoor heb ik in 1938 aan het Handelsmuseum van het Koninkrijk Instituut voor de tropen (dat in 1938 de naam droeg van Koninklijk Koloniaal Instituut) te Amsterdam rapport uitgebracht.
Het viel mij op dat op bijna alle aloëgronden plekken voorkwamen met plaatsen waarvan de bladeren veel groter waren dan normaal. Dit waren de schaduwrijke plekken onder dividivibomen, die op de aloëgronden waren en die niet gekapt mochten worden. De eerste gedachte was dat de aloë beter groeide wanneer ze niet de gehele dag in de felle zon stond. Doch dit bleek niet zo te zijn, want er waren aloëaanplantingen waar ook bomen stonden en waardoor planten waren die niet veel groter waren dan de rest. Het verschil was echter, dat onder de boom waar grote planten waren, geiten en schapen gedurende het warmste gedeelte van de dag lagen te rusten. Op de gronden waar onder de boom geen grote planten stonden, waren geen geiten of schapen.
Het zou dus kunnen zijn dat de mest van deze dieren invloed op de groei kon hebben. Ik heb toen aan een aantal planten op open terrein mest toegevoegd en na een jaar was het verschil duidelijk te zien: de planten waaraan mest was toegevoegd groeiden forser op dan de daarnaast staande plant.
Op een andere keer bezocht ik de aloëgronden van de heer Janshi Paula, achter Nikiboko. Voor zijn kunukuhuisje stonden planten, die de gehele dag in de volle zon stonden en die zeker tweemaal zo groot waren als de omringende planten. Ik vroeg Janshi wat hij aan de planten toevoegde om zulke mooie planten te krijgen, mest of iets dergelijks? Neen, zei Janshi, hij had niets met die planten gedaan, maar hij had wel gezien dat ze groter waren. Misschien was de grond daar beter? Volgende vraag: Gooi je daar soms iets weg?
Ja, zei Janshi, hij gooide daar de as van zijn houtskoolvuur weg en altijd op dezelfde plaats. Want dat was dicht bij de deur.
Een kort onderzoek bewees dat in de as kalksporen aanwezig waren.
Op voorstel van de Landbouw Hogeschool te Wageningen heb ik toen op de plantage ‘Guatemala’ een hectare verdeeld in 100 vakken van 10 x 10 meter. Aan vijftig vakken werd een dosis gebluste kalk gegeven en aan de vijftig andere vakken niet.
Vervolgens werden 10.000 plantjes in de vakken geplant. Na ruim een jaar was duidelijk te zien dat de planten die in de vakken stonden waar kalk was toegediend, groter waren dan die van de andere vakken. Prof. Ir. J. Hudig gaf de raad de gronden voor het planten te onderzoeken om teleurstellingen te voorkomen.
Op 9 augustus 1939 schreef prof Hudig wederom, doch ik had twee dagen tevoren mijn heup gebroken en ik ging, na een martelperiode op Bonaire, voor zes maanden het ziekenhuis te Curaçao in.
Allerlei proeven werden uitgevoerd, teneinde de opbrengst te verbeteren. Bij het oogsten dat ‘s morgens bij het licht worden aanving en dat ongeveer tot 11.00 à 12.00 uur voortduurde, werden de bladeren met een groot mes afgesneden en snel in een schuinstaande trog (lekbak) geplaatst. Het sap dat uit de bladeren lekte liep over de bodem van de trog naar een kleine opening aan het einde van de trog en werd daar opgevangen in een blikje. Van dit blikje ging het in een groter blik; inhoud 18 liter. In 1932 kreeg de snijdster voor zo’n blik 75 cent.
Acht minuten nadat de bak met bladeren was gevuld, hield het lekken op. Het vullen van de bak duurde 4 minuten door een flinke aloësnijder. Een vrouw zou er minstens 1 minuut langer over doen. De man zou voor het oogsten in een goed tempo 3 à 4 bakken nodig hebben; later bleek dat de vrouwen elk 5 bakken nodig hadden.
Men maakte bij het snijden een grote fout. Men plaatste namelijk op de onderste rij bladeren een tweede laag. Het is duidelijk dat alle sap van de bovenste rij niet volledig op de bodem van de trog terechtkwam, maar dat het kleverige sap gedeeltelijk bleef hangen op de onderste bladeren. Ik vroeg een vouw, die ik nogal verstandig vond, op een dag een proef te nemen met vijf bakken en ik beloofde haar dubbel loon. Het resultaat was, dat zij 25 procent meer sap kreeg dan wanneer zij met slechts twee bakken had gewerkt. Ik vroeg of ze nu begreep dat voor haar, voor de eigenaar van de grond en voor het eiland beter was met vijf bakken te werken, want zo werd er aan drie kanten meer geld ontvangen. Ja, dat begreep ze. Ik vroeg haar dat uit te leggen aan de andere vrouwen. Dat deed ze prima, maar de volgende dag verscheen er niemand. Men wilde de nieuwe methode van die makamba sowieso niet overnemen. Dus het bleef bij gebrekkig snijden.
Men gebruikte zelfs lege blikken van 18 liter en daarin werden drie lagen bladeren gestopt. Het meeste sap ging op deze wijze verloren. Aan het einde van de dag werd alle sap, dat in 200 liter drums was verzameld, naar de kookplaats gebracht en in een betonnen bak gestort. Vlak bij die bak was een kookpot, meestal gemaakt van gietijzer. Een koperen pot zou een betere kwaliteit geven en in de twintiger jaren was het mogelijk koperen potten van suikerfabrieken op Trinidad of Venezuela, die op moderne methode overgegaan waren, te kopen. Nieuwe koperen potten waren onbetaalbaar voor ons.
In de pot werd 400 liter sap gestort. Dat sap moest eerst in de tank goed omgeroerd worden want na een kort verblijf in de tank begint het te ‘gisten’ en ontstaat een dikke koek aan de oppervlakte van het sap.
Onder de pot werd een vuur gestookt van flambeeuw. Flambeeuw is het gedroogde hout van de jato-cactus. Heel licht en in overvloed verkrijgbaar. We kochten dat per faam, te weten 7 voet hoog, 7 voet breed en 1 voet dik. Dat was de maat van een faam.
Het vuur onder de pot was reeds aangestoken; in de oogsttijd bleef er ‘s nachts een klein vuur smeulen, waardoor de pot warm bleef, wat kooktijd uitspaarde voor de volgende wea (pot). In de namiddag naderde het ogenblik waarop de aloë ‘kwé punta’ had bereikt. Wanneer de koker een schep gekookt sap uit de pot haalde en zo hoog mogelijk langzaam in de pot liet terugvallen en er vlogen dan heel dunne flinters van het vallende sap af, dan was de aloë klaar om in kisten gestort te worden. Het vuur werd dan onmiddellijk voor een groot gedeelte gedoofd om het verbranden van de gekookte aloë te voorkomen. De kistjes waren de kistjes waarin vroeger twee blikken petroleum werden verzonden. Toen later de petroleum in drums kwam, kochten wij op maat gezaagd hout in Colombia, waarvan een paar duizend kistjes werden gemaakt. Een flink gedeelte van dit hout moest later weggegooid worden, omdat het door houtluis aangetast werd.


Week toppers

Het Antilliaans Dagblad is de enige lokale Nederlandstalige ochtendkrant van Curaçao, Bonaire en Aruba. Op Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba, alsmede in Nederland en andere landen is een online-abonnement eenvoudig mogelijk via online.ad.cw

antdagblad-logo


Print-abonnee worden of voor meer algemene informatie? Stuur dan een mail naar [email protected]. Met naam, adres en telefoonnummer. Abonnementsprijs is ANG 35,00 inclusief OB per kalendermaand. Print-abonneren is alleen mogelijk op Curaçao.