×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 69 niet laden

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

loderwijkgerhartsIn 1927 bestond de katholieke kerk op Bonaire 100 jaar; de Sint Bernardus Kerk in Kralendijk. Op Curaçao woonden vele honderden Bonairianen die bij de CPIM werkzaam waren en uit Bonaire kwam een aanvraag binnen of de KNSM een schip naar Bonaire wilde zenden met de Bonairianen die het eeuwfeest wilden meemaken. Er werden zoveel passagiers geboekt dat een tweede schip beschikbaar werd gesteld. Het zouden de ‘Atlas’ en de ‘Brion’ zijn.
Ik werd aangewezen de reis mee te maken en bij de valreep (statietrap met een groot woord) te controleren of iedereen wel een betaald passagebiljet had. Er zouden, meen ik, 150 passagiers met de ‘Atlas’ meegaan en ik kreeg dat schip toegewezen.
Maar wat gebeurde? Men liet het schip aan de handelskade meren. Deze kade was behoorlijk hoog boven het waterpeil van de Sint Annabaai en men kon voor en achter aan boord van het schip springen. De brave zielen die een passage hadden gekocht gingen netjes de statietrap op, maar er waren zovelen die geen passage hadden kunnen kopen, omdat het vastgestelde aantal bereikt was en die sprongen waar ze maar konden aan boord.
Er was geen controle mogelijk! Ik zei tegen de kapitein: ,,Captain, wat moeten we doen? We kunnen onmogelijk al die mensen aan boord nog eens controleren, het lijkt wel een mierenhoop.” Captain Mulder zei: ,,Laten we maar gaan. Het is maar een paar uur, de zee is kalm en we bereiken Bonaire wel.” Hetzelfde gebeurde met de ‘Brion’ en ook dit schip ging met een dubbel aantal passagiers de zee op.
Bonaire had een klein houten piertje. Aan de noordzijde kon één schip meren; aan de zuidzijde ook, maar daar was het ondieper. De ‘Atlas’ was een soort strijkijzer en die lag aan de zuidzijde en de ‘Brion’ aan de andere kant.
De agent kwam aan boord met de douane en de politie. Maar voor ze boven bij de kapitein waren sprongen de passagiers van het schip op de pier. Het was een prachtgezicht. De schepen bleven tot maandagmorgen liggen, doch op maandag gingen niet alle passagiers terug. Velen bleven nog een paar dagen op het eiland. Voor de terugreis waren er op Bonaire schepen genoeg, zeilschepen van 15 tot 200 ton.
Te Bonaire kreeg ik aan gastvrij onderdak bij de agent, de heer Julio E.R. Herrera, in de wandel Shòròmbu genoemd. In het prachtige herenhuis in de Breedestraat no. 13. De familie was nog in diepe rouw, want de echtgenote van de heer Herrera, Marianne Herrera-van der Ree, was op 4 april 1926 overleden. Ik maakte daar kennis met de oudste dochter Julia Margareta. De andere kinderen waren niet op Bonaire, als ik mij goed herinner. Nog twee meisjes waren in het tehuis ‘Welgelegen’ en een zoon was in Nederland op een kostschool.
Julia's roepnaam was Doetje (spreek uit als Duchi), had ook een opleiding gehad op Welgelegen en sprak diverse talen: Nederlands, Engels en Spaans. Wij vielen bij elkaar in de smaak en mochten wel eens uit, onder goede begeleiding van een chaperonne en ‘s avonds zaten we dan in de voorgalerij, terwijl haar vader dichtbij een oogje in het zeil hield. Zij ging vaak naar Curaçao en logeerde bij haar oom H.J.C. Bodenburg Hellmund waar ik in pension was, te weten in Keizershof waarover ik reeds schreef.
We mochten wel naar elkaar kijken en uitgaan, naar de bioscoop bijvoorbeeld of naar de plantage Santa Cruz waar veel mispelbomen en kokospalmen stonden en waar ook een mooi strand was, doch altijd onder zware begeleiding; we werden goed bewaakt.
Op 19 juli 1930 traden we in het huwelijk. Oom Jaap had mij verscheidene malen de raad gegeven dat niet te doen, dikwijls klonk het ‘doe het toch niet’, maar ja, wie luistert er naar raadgevingen als je hart in brand staat?
Het was een luisterrijk feest in het grote huis Breedestraat 13, hoek Kerkweg. De volgende morgen werden veel champagneflessen en andere lege flessen gevonden bij de put die in de Savana was en waaromheen een muurtje was gebouwd, waar het goed zitten en drinken was. De vingervluggen hadden kans gezien met de hulp van tijdelijk in dienst genomen bedienden een aanzienlijk deel van de lekkernijen, waaronder de drank de voornaamste plaats innam, te kapen.
Het huwelijk heeft tot 1940 geduurd. In de maand mei van dat jaar werd de echtscheiding uitgesproken. Verwacht nu niet van mij dat ik zeg dat zij de schuldige was. Ik zelf was mede schuldig omdat ik bijna alleen belangstelling had voor het werk dat gedaan moest worden. Dat werk begon 's morgens om ongeveer zes uur en het duurde meestal tot twaalf uur 's nachts, omdat mijn lievelingsproject, de elektrische centrale, veel toezicht nodig had. Het was geen prettige beslissing, doch gelukkig kon mijn gewezen echtgenote een andere levensgezel vinden, de heer G.J. Meyer, employé van de Shell Curaçao.
Een week na het huwelijk gingen wij met vakantie naar Nederland. Die reis vond plaats met de ‘Simon Bolivar’, het schip dat in de wereldoorlog verloren ging. Wij verbleven bij mijn moeder thuis in Amsterdam. Mijn vader was in 1929 overleden. En wij maakten met de auto een reis naar Parijs en vandaar via Luxemburg naar Duitsland en terug naar Nederland.
Tijdens mijn verlof kwam er een surprise van de directie van de KSNM: Ik zou niet naar Curaçao terugkeren, doch ik moest naar Cristobal aan de ingang van het Panamakanaal.
Op 3 oktober 1930 vertrokken wij met de ‘Van Rensselaer’ naar Cristobal en na een reis van 24 dagen werd deze stad bereikt, waar de KNSM een mooi kantoor had.
Het inklaren van mijn bagage (verhuisboedel) gaf bij de Amerikanen die de aanlegsteigers en kaden in beheer hadden, geen moeilijkheden, doch de douane in Panama bleken aanvankelijk lastig te zijn. De woonhuizen van de KNSM lagen op Panamees gebied in de stad Colon, die aan Cristobal grenst, en daarom kreeg ik met de douane van Panama te maken.
Men vond dat de auto die ik meebracht nog een flinke waarde had en alleen op de auto zou ik een paar honderd dollar (fl.2,50 in die tijd) moeten betalen. Ook mijn huisraad vond men nogal prijzig en nieuw en ook hiervoor werd een hoog invoerrecht bepaald. Hoewel ik betoogde dat het verhuisboedel was en dat die vrij van invoerrechten was, was de ambtenaar niet te vermurwen.
Een Amerikaan, die dit gedoe had aangezien, zei: ,,Heeft u dat grote schip voor de haven zien liggen? Kom eens kijken.” En toen zei hij, terwijl wij naar de haven keken: ,,Leg op je auto 5 dollar en op elke kist 1 dollar en ga dan weer naar buiten kijken.”
Zo gezegd zo gedaan en na korte tijd kwam een hogere douanebeambte naar me toe en die vertelde dat zijn ondergeschikte de wet niet goed kende en dat inderdaad de auto en bagage vrij van invoerrechten was, want ik kwam mij toch in Colon vestigen. Maar toen ik naar de auto en kisten keek waren de dollars in lucht opgegaan.
Frontstreet scheidde Colon (Panama) van Cristobal (USA-zone). Aan de Amerikaanse kant was het gebouw van de YMCA waar men goedkoop sigaretten, lucifers en dergelijke kon kopen. Aan de overkant van de straat stonden agenten in burger en zodra men iemand uit het gebouw zag komen en men zag hem bijvoorbeeld een sigaret opsteken dan werd hij opgepakt en naar het politiebureau gebracht. Zijn vrijheid kon hij terstond krijgen tegen betaling van 25 dollar. De sigaretten was hij dan ook kwijt.
Het klimaat was overdag niet prettig. Terwijl men rustig achter het bureau zat liepen straaltjes transpiratie over het gezicht en lichaam.
In die tijd hielden de Amerikanen zich strikt aan de regel, dat kleurlingen afzonderlijk moesten worden behandeld. Het postkantoor van de Amerikaanse zone had op de hoek van het gebouw een dubbel loket waar men postzegels kon kopen. Het ene loket droeg het opschrift ‘Silver’ en dat was voor de kleuringen en het andere om de hoek had het opschrift ‘Gold’ en dat was voor de blanken. Aangezien Zuid-Amerikanen dikwijls bruin zijn, werden ze door een nieuwkomer als kleurling behandeld en dat gaf geweldige scheldpartijen natuurlijk.
Zo had men op het station van de trein die naar Balboa reed banken waarop men kon zitten. Men had banken met het opschrift ‘Silver’ en banken voorzien van het woord ‘Gold’. Dat is nu allemaal gelukkig verdwenen.


Week toppers

Wilt u op ruim 8.000 kilometer van Nederland Nederlandse ochtend-krant bij het ontbijt niet missen? Lees dan de Caribische editie van DE TELEGRAAF
Telegraaf

Het ANTILLIAANS DAGBLAD is de enige lokale Nederlandstalige ochtendkrant van Curaçao, Bonaire, Aruba en Sint Maarten.

antdagblad-logo


Abonnee worden of voor meer informatie over losse verkoop en advertentiemogelijkheden: E-mail of fax: Naam, voorletter(s), straatnaam, huisnummer, telefoon en aanvangsdatum. Abonnementsprijs* is Naf 25,50 incl. OB (abonneren is alleen mogelijk op Curaçao).