×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 69 niet laden

loderwijkgerhartsDoor Lodewijk Daniel Gerharts
Mijn grootvader van moeders kant was Daniel de Wild, hovenier van Zorgvlied, de tuin van de koningin. Wanneer koningin Wilhelmina in Den Haag was, mocht ik die mooie tuin niet in, maar wanneer koningin Emma, de Koningin-moeder, er was mochten wij wel de tuin bezichtigen. Koningin Emma hield ervan met kinderen te keuvelen.
Op een zekere dag stierf Opa Daniel en hij werd begraven op Oud Eik en Duinen in de Scheveningse bosjes. Moeder vertelde mij dat opa naar de hemel zou gaan. Op de begraafplaats was een grote kuil waarin de kist zou worden neergelaten. Ik keek in de kuil en zei tegen vader: ,,Ik zie geen gat.” ,,Welk gat zie je niet?" ,,Het gat waardoor opa naar de hemel moet gaan.” Ik kreeg toen te horen dat alleen de ziel naar de hemel ging en veel snapte ik er niet van. Ik voelde me een beetje beetgenomen.
De sollicitaties van vader hadden succes. Hij werd directeur van een bedrijf in Breda, aan de Delpratsingel. In deze fabriek maakte hij ook boter en zo nu en dan zelfs kaas. Breda was een heerlijke stad. Wij woonden dicht bij het Valkenberg, een mooi park, een prachtig speelterrein voor ons. In de Singel vingen we dikke palingen met ‘peuren’. Het peuren gebeurde met een dikke bos wurmen, die onder aan de vislijn werd gebonden en wanneer we een ruk voelden werd de paling die zich in de bos wurmen had vastgebeten, op de wal gesmeten.
Onze klas van de school maakte woensdagmiddag een wandeling. Over de spoorlijn Tilburg-Roosendaal, kwam men in een brede laan met eiken en beukenbomen. Vier rijen kolossale bomen een daartussen allerlei planten en bloemen. Onze onderwijzer hield van de natuur en hield niet op om ons op boeiende wijze alles wat hij wist te vertellen.
Aan het einde van deze laan was een boerderij die in de aardbeientijd volop de kleine Bredase aardbeitjes had. Men kreeg voor tien cent een groot diep bord aardbeien met room. Alleen al voor deze lekkernij was de wandeling van drie kwartier de moeite waard.
Het eerste carnaval dat ik meemaakte was te Breda. Ik herinner me als de dag van gisteren een grote groep ‘Chinezen’, die op het ritme van wat slagwerk zongen:
Piemelo, pammelo, piem-pam piemela,
piem-pam-pammelo, piemelala
Na een jaar kreeg vader een aanbieding van de eigenaar van het landgoed ‘Klein Wolfslaar’ te Ginneken. In Ginneken was de fabriek met een lunchroom en het landgoed lag in de richting Ulvenhout en had veel runderen. In dit bedrijf kon vader zich uitleven. Hij maakte voor de lunchroom ook ijs. Zo lekker, dat men van heinde en verre naar deze lunchroom kwam om het ijs te nuttigen. Het recept heeft hij helaas meegenomen in het graf. Ook in dit bedrijf werd boter en kaas gemaakt en vader deed ook de gehele administratie.
Het was voor mij een prachttijd. We woonden in de Brugstraat, dichtbij het Mastbos, waarlangs de weg naar België liep en waaraan het Kasteel Bouvigne lag. Ik ging op school, waar de heer Katz de scepter zwaaide. Tot dan was ik nogal timide geweest op school. Ik was heus niet de knapste van de klas, ik denk dat ik bij de middenmoot hoorde, ofschoon er een paar vakken waren waarin ik wel kon uitblinken: hoofdrekenen, opstellen maken en aardrijkskunde. Voor zingen kreeg ik een dikke onvoldoende; ik mocht vaak niet meezingen omdat ik de boel in de war schopte. Dan kreeg ik een boek en mocht achter in de klas lezen. Beviel me best.
Ik maakte op deze school de dictatuur mee van een jongen die daar de baas speelde en onmiddellijk met nieuwkomers ruzie zocht en zijn kracht liet voelen. Daaraan had ik nooit behoefte gehad. Maar ik was wel een sterke knaap. Dus toen deze jongen ruzie met mij zocht en mij uitnodigde tot een robbertje vechten ging het hard tegen hard. Het was op de speelplaats van de school en ik herinner me goed dat de onderwijzers op een afstand stonden te kijken plus natuurlijk het leerlingendom. De knaap had me onderschat. Tot groot vermaak van de onderwijzers die het joch, zoals ik merkte, geen goed hart toedroegen. Ik had hem betrekkelijk snel op de grond, ik stond op en zei: ,,Nog eens proberen?” Maar het was afgelopen met zijn heerschappij.
In die tijd hadden de scholen een vechtclub, die uittrok tegen de club van een andere school. We hadden als aartsvijand een school in Ulvenhout, een paar kilometer van Ginneken. Wij waren de school waar schoenen werden gedragen; die van Ulvenhut droegen klompen, die bij het vechten dikwijls uitgetrokken werden en men kan dan gevoelige tikken met zo'n klomp op de kop krijgen.
Op een zaterdagmiddag kregen we bericht dat de Ulvenhouters op weg waren naar ons terrein. Wij trokken hen tegemoet met zo'n man of dertig en ik liet de helft zich in de bosjes langs de weg verschuilen. En wij trokken de vijand dus met een grote minderheid tegemoet. Ze liepen in de val en liepen zo hard ze konden achter ons aan toen we ons terugtrokken. Toen ze voorbij onze verscholen helft waren, kwamen die in actie en zo hadden wij de klompendragers tussen twee vuren. Het was een schone strijd, die in een daverende overwinning voor de ‘schoenen’ eindigde.
Er zijn veel veldslagen geleverd. Vaak werd tijdens de middagmaaltijd op de ruiten getikt dat ik moest komen, want de vijand was gesignaleerd. En wanneer ik dan zei dat ik moest opschieten om te gaan spelen, was het onbegrip over mijn haast bij mijn ouders groot!
Wij hadden een mooi huis in Ginneken. Gebakjes werden ook voor de lunchroom gemaakt. Op een zondag had moeder bezoek, waaronder een tante, met een flinke neus. Het was eigenlijk geen tante; het was gemakkelijk iedereen zo te noemen. Ik had helaas juist het boek van Dik Trom gelezen, waarin zijn guitenstreken voorkwamen. Tante had een roomhorentje en toen ze dat wat hoog optilde kon ik de verleiding niet weerstaan er een tik tegen te geven, zodat de neus van tante in de room verdween. Vader sprong op: ,,Dekselse jongen, kom hier.” Maar ik was al weg. Vader achter mij aan, doch buiten stond hij tranen met tuiten te huilen van het lachen en maakte mij duidelijk dat ik die namiddag niet te vroeg naar huis moest gaan. De bui moest eerst overwaaien.
In het Mastbos groeiden bosbessen. Grote velden. Onze club ging daar altijd op uit. Wij vulden onze magen, maar ook de blikken die we bij ons hadden en de inhoud van de blikken werd verkocht aan een koopman in het dorp. Op deze manier maakten wij een aardig zakcentje.
Op 1 augustus 1914 brak de wereldoorlog uit. Wij voelden de grond trillen van het geschut om Antwerpen. Duizenden vluchtelingen kwamen over de grens langs de grote rijweg bij het Mastbos. Zo werden in ons dorp, in Breda en in andere plaatsen opgevangen. Eerst bij particulieren en toen die geen plaats meer hadden, in openbare gebouwen, zoals scholen.
De eigenaar van Klein Wolfslaar ging failliet en vertrok naar Noord-Amerika. Binnen korte tijd had vader een andere betrekking, nu bij een fabriek in Amsterdam. ‘Aurora’ was de naam. Een coöperatie van veeboeren.
In die tijd was de oorlog in volle gang. Het was, naar ik meen, 1916 geworden. Ik ging naar de ULO en ook hier was een vechtclub. Wij waren de ‘rijken’ en de tegenpartij waren de ‘armen’. Ik weet niet goed meer waar het onderscheid in stak.
Bijna alle voedingsmiddelen waren gedurende de oorlog op de ‘bon’. Men kreeg bonnen uitgereikt en in de kranten werd gepubliceerd op welke bon men dit of dat kon krijgen. Vlees was zeer schaars. Er werd een melkbus voorzien van een valse bodem gemaakt. Men kan de bus aan de onderzijde openen, in dat gedeelte onder de valse bodem werd vlees gestopt en dan werd de bus omgedraaid en het bovengedeelte werd met melk gevuld. Wij moesten wel met de buren delen, want vlees, wanneer dat gebraden werd, deed de neusgaten van de buren wijd opensperren.
Van de ULO zou ik naar de HBS gaan. Voor de 5-jarige was geen geld. Beurzen bestonden er niet. Ik had wel het toelatingsexamen gedaan, maar geld om de boeken te kopen was er niet. Voor de 3-jarige was dat minder en zo ging ik naar deze school in de Van Ostadestraat. Ik hoorde ook toen wel, dat wanneer men van een goede politieke partij was, men vrijstelling van schoolgeld kon krijgen. Er is dus niets nieuws onder de zon.
Van deze school kwam ik in dienst bij Notaris W. Kranenburg, Heerengracht 568 te Amsterdam. Een prettig kantoor waar ik wel het een en ander leerde. Intussen volgde ik avondlessen in boekhouden, Engels, Duits en handelscorrespondentie.
Op 1 december 1919 trad ik in dienst van de KNSM afdeling comptabiliteit. Ik het mooie Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade.
Er was een sportclub, waarvan ik lid werd. Voetballen lag mij niet; ik was een prul. Cricket was beter en elke zondag gingen wij in de zomer eropuit. Atletiek ging goed als het op kracht aankwam: kogelstoten, speerwerpen, bal slingeren enzovoort. Maar hardlopen! Treurig.


Week toppers

Wilt u op ruim 8.000 kilometer van Nederland Nederlandse ochtend-krant bij het ontbijt niet missen? Lees dan de Caribische editie van DE TELEGRAAF
Telegraaf

Het ANTILLIAANS DAGBLAD is de enige lokale Nederlandstalige ochtendkrant van Curaçao, Bonaire, Aruba en Sint Maarten.

antdagblad-logo


Abonnee worden of voor meer informatie over losse verkoop en advertentiemogelijkheden: E-mail of fax: Naam, voorletter(s), straatnaam, huisnummer, telefoon en aanvangsdatum. Abonnementsprijs* is Naf 25,50 incl. OB (abonneren is alleen mogelijk op Curaçao).