Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief

De proloog van Shells beladen afscheid

,,De Shell zal het liefst met Venezuela in zee willen, maar dat is politiek uiteraard gevoelig voor de Antillen. Dit is net zoiets als wanneer wij een deel van het Rijnmondgebied aan de Duitsers zouden overdragen.”

Door Ton de Jong

Dit memorandum van de Nederlandse ambassadeur Efraïn Jonckheer in Caracas aan ‘Den Haag’ is op 27 september 1974 geschreven. Vijf jaar ná ‘30 mei 1969’ en één jaar voordat Venezuela de olie-industrie nationaliseerde. Op het eiland was er -toen al - niet zo veel overgebleven van de ‘mei-revolutie’.
isla2abcIn de internationale oliewereld rommelde het hevig. De machtsverhoudingen veranderden in razend tempo. Landen als Nigeria en Perzië lieten van zich spreken. Uit nooit eerder gepubliceerde gecodeerde berichten die Jonckheer naar Den Haag stuurde, blijkt dat de rijke Perzen in 1974 sondeerden bij Shell of zij konden participeren in de raffinaderij op Curaçao. Daar kregen de Venezolanen lucht van en begonnen achter de schermen te sputteren. Het overnamespel was toen op de wagen en zou er tot 1985 niet meer afgaan. Uit de codeberichten wordt ook duidelijk dat de Curaçaose raffinaderij bij de nationalisatie een belangrijke rol had kunnen spelen. De Nederlandse ambassadeur: ,,Shell kan bij de Venezolanen gunstige voorwaarden (garanties voor levering van olie) bedingen, wanneer de maatschappij een positieve houding aanneemt tegenover Venezolaanse deelname in de raffinaderij. Shell is deskundig in het raffineren van zware olie, een techniek die de Venezolanen nog niet beheersen.” Vergelijkbare garanties werden in 1985 het breekpunt bij de onderhandelingen.
Tussen 1974 en 1984 hing het vertrek van Shell (óf een gedeelde verantwoordelijkheid voor de raffinaderij) voortdurend in de lucht. Het is daarom curieus isla2ddat het voor de Curaçaose gemeenschap in 1984/85 toch nog als een verrassing kwam. Enige blindheid voor de grote buitenwereld is het eiland niet vreemd, overigens nog steeds niet. Het begon in de winter van 1974 met de eerste oliecrisis en de roemruchte autoloze zondagen in Nederland. De Verenigde Staten (VS) gingen hun markt beschermen en Shell Curaçao had daar veel last van. De afzet naar Amerika kelderde van 50 procent naar 10 procent. ,,We kunnen onmogelijk concurreren met de bevoorrechte raffinaderijen aldaar en dat is met geen enkele techniek goed te maken. We zoeken dus heel de wereld af naar nieuwe afzetgebieden. Je moet kunnen draaien, dat is een economische wet”, zei het latere lid van de Raad van State Gilbert Wawoe in een interview dat hij in 1978 als directeur Algemene Zaken gaf aan het Nederlands Dagblad. Wawoe toen verder: ,,Ja, Shell wil wel op Curaçao blijven, maar je kunt niet oneindig verlies blijven lijden.” De verslaggever had moeten vragen of er iets tegen die Amerikaanse protectie werd ondernomen, maar wist waarschijnlijk niet dat uitgerekend in die maanden achter de schermen topoverleg plaatsvond tussen de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel, Shell-baas Wagner en de Amerikaanse regering. De codeberichten van Buitenlandse Zaken maken gewag van zo’n twintig onderhandelingsmomenten. Op 24 januari 1977 bedachten Max van der Stoel en Wagner dat Venezuela maar beter kon gaan deelnemen in de raffinaderij op Curaçao. Dan zouden de Verenigde Staten wellicht overstag gaan, want zij waren deels afhankelijk van Venezolaanse ruwe olie. Een lastig verhaal, vonden de heren meteen, want ‘eerder had Shell Venezolaanse aandrang in deze richting weerstaan’. De toenmalige premier Evertz werd - aldus de notulen van het gesprek - bewust niet ingelicht over dit onhaalbare plan.

isla2eDie Venezolaanse aandrang vond twee jaar eerder plaats bij de nationalisatie van de oliebedrijven. Shell verloor toen haar stevige posities bij de oliebronnen, de aanvoer van olie werd minder zeker en de olie moest nu worden ingekocht tegen wereldmarktprijzen. Er kwamen kortlopende contracten die na slopende onderhandelingen werden gesloten. Stijging van de olieprijs deed de verliezen bij Shell oplopen tot een voor het concern onaanvaardbaar hoog niveau, tot 10 miljoen en even zelfs tot 30 miljoen dollar per maand.
De grote Isla kwam alleen te staan op een klein eiland waar zij maar een paar procent van de producten af kon zetten. Samenwerking met de Venezolanen was een oplossing, maar Shell wilde daar eerst niet aan. Zij pruimden elkaar na de nationalisatie niet, wat ook te maken had met de schadevergoeding die maar niet aan Shell werd betaald. Bovendien maakte de Isla aanvankelijk nog een behoorlijke winst. Vanaf 1978 kwamen er niettemin onderhandelingen. Eerst over het leveren van olie tegen vaste prijzen, later over deelname. De Antilliaanse overheid zelf zat vol argwaan. Zij wist wat zij aan Shell had, Venezuela zou wel eens een verborgen agenda kunnen hebben.
De strategen op het hoofdkantoor van Shell in Den Haag trokken zich weinig aan van de Curaçaose belangen. Peter Odell, internationaal oliedeskundige die indertijd de Antilliaanse regering adviseerde, zei het in 1995 (Amigoe, 18 november) zo: ,,De werkelijke reden van het vertrek van Shell was het besluit om het hoofdkantoor van het westelijk halfrond te verplaatsen van Curaçao naar Houston. Ze hadden ergens een plek nodig waar ze niet alleen olie konden raffineren, maar ook handel en speculatie konden bedrijven. De toekomst van Curaçao is daardoor bepaald.”
Wat er op 30 mei 1969 gebeurde, speelde slechts op de achtergrond een rol. Het voorspel begon in de jaren zestig toen door ‘streamlining’ bij Shell en aanverwante bedrijven het arbeidersbestand drastisch terugliep. Financiële steun van Nederland en de Europese Unie kon de wonden maar gedeeltelijk helen. De hypnose van de welvaart was voorbij. Shell ging veel werk uitbesteden aan onderaannemers, waarvan Wescar de grootste was. Deze dochter van Werkspoor betaalde per uur de helft van wat Shell-werknemers kregen. Het conflict hierover escaleerde. Op 30 mei 1969 ontplofte figuurlijk een doos met vuurwerk, waarvan onbehagen en radicalisering de zwaarste ‘bommetjes’ waren. Shell speelde een dubieuze rol. Het Statenlid J. Oenes van de Democratische Partij verwoordde het in een interview zo: ,,De Shell weet niet wat hier gebeurt. Zij leeft naast de gemeenschap. Van het moment dat de vakbonden bij Wescar looneisen begonnen te stellen, wist iedereen dat Wescar zelf die verhoging niet kon betalen. Shell weigerde rugdekking te geven. Pas toen een groot stuk van Willemstad in brand stond, heeft de general manager ‘s middags om vier uur zijn handtekening gezet. Toen kon het ineens wel.”

De commissie die ‘30 mei’ onderzocht wijdde een korte analyse aan de rol van de overheid in relatie tot Shell. De regering van de Antillen heeft in de jaren veertig en vijftig - toen de oliewelvaart maximaal was - gefaald. Er werden geen reserves aangelegd, aan oliezaken werd geen aandacht besteed, er was geen tegenspel.
Ewald Ong A Kwie (Suriname, 1929), secretaris van de PWFC (de ‘oliebond’) keek in 1976 met gemengde gevoelens terug. ,,Voor 1969 was de Curaçaose werkman bang van zijn baas, bang voor de overheid. Dat veranderde. Ook bij de werkgevers was de eerste jaren sprake van een mentaliteitsverandering. Zij leken meer begrip te hebben voor de arbeiders, er kwam meer contact. Antillianisering werd een modewoord. Maar we zijn weer op de terugweg.” De samenleving was veranderd, de overheid was veranderd, maar de werkgevers - inclusief Shell - waren nauwelijks veranderd. Dat is verklaarbaar: bedrijven denken eerst en vooral aan rendement en continuïteit.
Een van de veranderingen bij de overheid was een meer kritische opstelling. Premier Juancho Evertsz en later Don Martina waren de eersten die de reus Shell durfden aan te pakken. Als gedeputeerde voor Financiën introduceerde Don Martina met hulp van Willem Vermeend nieuwe vormen van belastingheffing. Don Martina toen in de pers: ,,Steeds is hier geredeneerd dat wat goed was voor Shell, goed was voor Curaçao. Maar de sociale noden worden steeds groter en ik vind dat ook bedrijven die nood mee moeten lenigen. Welnu, dan moet er ook maar iets voor het volk tegenover staan. Wij verkopen ons huis te goedkoop.” Shell moest voortaan gaan betalen voor de ‘horizonvervuiling’ en het gebruik van de grond en het water bij Bullenbaai. De aanslag liep op tot 23 miljoen gulden in 1980 om dan na een gerechtelijk verbod abrupt te eindigen. De eilandelijke overheid en Shell kwamen in 1982 tot een akkoord. Curaçao hoefde niet terug te betalen.
Het conflict hierover heeft geen rol gespeeld bij het besluit om te vertrekken. Shell zat in de jaren zeventig simpelweg niet goed meer in haar vel op Curaçao. De glorietijd was voorbij. Het was wachten op de valbijl.

Feiten

Shell in de jaren zeventig:
- Vanaf 1974 ging Shell belasting betalen over de werkelijke winst met als minimum 28 miljoen gulden per jaar. Daar kwam later de tijdelijke Tankbelasting bij die opliep tot 23 miljoen gulden. Na het vertrek van Shell vielen deze inkomsten weg.
- In de jaren zeventig en tachtig verving Shell verouderde installaties, met als belangrijke investering een ‘crude distiller’ in 1973. De investeringen in de Isla bedroegen in de jaren zeventig gemiddeld 40 miljoen gulden per jaar.
- De laatste grote investering van Shell was 70 miljoen dollar voor een thermische kraker begin jaren tachtig. Het bedrag werd niet opgebracht door de Shell-groep, die het risico niet wilde nemen, maar door een pensioenfonds op Curaçao.
- Door de bouw van grote olietankers werd het mogelijk om op Curaçao ook olie uit Afrika en het Midden-Oosten aan te voeren. Shell wilde zich minder afhankelijk maken van Venezuela. Dit leidde tot de vergroting van de oliehaven Bullenbaai aan de zuidwestkust van Curaçao die op 6 juni 1974 in gebruik werd genomen. De ruwe olie wordt daar opgeslagen en daarna overgeladen in kleinere tankers.
- Shell Curaçao maakte in 1979 nog 220 miljoen dollar winst. Vanaf 1982 liepen de verliezen snel op. De verwerkingsinstallaties waren in 1984 maar voor de helft bezet.
- In 1978 was het personeelsbestand gedaald tot 3.000 mensen plus duizend via onderaannemers.

 Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten - www.fondsbjp.nl

Wilt u op ruim 8.000 kilometer van Nederland Nederlandse ochtend-krant bij het ontbijt niet missen? Lees dan de Caribische editie van DE TELEGRAAF
Telegraaf

Het ANTILLIAANS DAGBLAD is de enige lokale Nederlandstalige ochtendkrant van Curaçao, Bonaire, Aruba en Sint Maarten.

antdagblad-logo


Abonnee worden of voor meer informatie over losse verkoop en advertentiemogelijkheden: E-mail of fax: Naam, voorletter(s), straatnaam, huisnummer, telefoon en aanvangsdatum. Abonnementsprijs* is Naf 25,50 incl. OB (abonneren is alleen mogelijk op Curaçao).